Smits Letselschade

Overlijdensschade in het huidige tijdsgewricht

Inleiding

Graag breng ik u het volgende onder de aandacht. Het gaat om de toerekening van inkomen in overlijdensschaden bij de beoordeling van de situatie na het schadeveroorzakend evenement. Het gaat met name om de toerekening van het inkomen van de overblijvende partner aan de kinderen. Uit diens inkomen werd immers een deel van alle gezinuitgaven gedaan, waarmee niet alleen het slachtoffer maar ook de kinderen werden onderhouden. Na het overlijden zijn een aantal situaties te onderscheiden, de overblijvende partner:

1. kan in dezelfde omvang blijven doorwerken als voor het overlijden. De partner zal ik gelijke mate zijn kinderen kunnen blijven onderhouden vanuit dit inkomen.
2. moet minder gaan werken om de kinderen op te vangen. Het inkomen van deze nabestaande gaat dan omlaag. Die vermindering kan zijn invloed hebben op de schade; op die van de partner zelf en de kinderen.

Juridische uitgangspunten

1.
Bij het vaststellen van overlijdenschade geldt het stelsel van zelfstandige vorderingen van de nabestaanden van het slachtoffer. Het gaat om vorderingen die volledig gescheiden zijn waarbij voor en nadelen over en weer tussen nabestaanden niet verrekend mogen worden. Voordelen voor de overlevende ouder omdat deze niet meer bij hoefde te dragen in het levensonderhoud van het slachtoffer mogen niet worden meegewogen bij de bepaling van de behoefte van de kinderen (zie o.a. HR 5 juni 1981, NJ 1982-221 en VR 1981 no. 78 - Hony vs. Tijsterman).

2.
Echtelieden hebben de verplichting elkaar over en weer te onderhouden. Artikel 1:81 tot 1: 84 BW.

3.
De verplichting levensonderhoud te verstekken door (o.a.) ouders aan hun kinderen is geregeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De beide ouders zijn bijdrageplichtig. De omvang van de bijdrage in de onderhoudsverplichting is volgens artikel 1:397 BW (o.a.) gerelateerd aan de draagkracht van degene die verplicht is bij te dragen in het levensonderhoud.

4.
De schadeveroorzaker komt niet alleen in de plaats van het slachtoffer, maar diens betalingsverplichting gaat voor op die van andere verwanten.

5.
De schade wordt berekend volgens de zgn. budgettaire methode. Deze methode is lang geleden gepromoot door prof. Mok (VR 1965 no. 4 en 5) en daarna omarmd door een ieder die zich serieus met het berekenen van onderhoudsschade na overlijden bezighoudt. De methode beoogt de waarde van het levensonderhoud met behulp van statistische gegevens zo exact mogelijk vast te stellen.

Voorbeeld

Van uit de dagelijkse praktijk wil ik graag uw aandacht vragen voor de volgende situatie. De berekening:
Een gezin bestond voor het schadeveroorzakend evenement uit 3 personen: man, vrouw, ιιn kind.
Als gevolg van een medische fout overlijdt de vrouw. De overblijvende partner was en is hoofdkostwinner. De inkomensituatie is als volgt:

- Inkomen slachtoffer €14.240,00
- Inkomen partner-24.642,00
- Inkomen kind nihil, omdat ik voor de duidelijkheid de kinderbijslag buiten beschouwing laat-0,00
+ Het totale gezinsinkomen is dus €38.882,00







Het slachtoffer droeg dus voor - € 14.240,00 : € 38.882,00 x 100% = 36,6 % bij aan dit gezinsinkomen.

Na verdeling van de vaste lasten met de verhouding 2:1 en verdeling van de variabele volgens de Amsterdamse Schaal is de behoefte van het kind € 11.551,31.

Het consumptief inkomen van de overblijvende partner na de fout is € 31.043,00.

Kijk ik nu naar hoe het programma, volgens de bijgevoegde toelichting, het inkomen van de overblijvende partner toerekent aan het kind dan zie ik dat het volgende gebeurt. Het inkomen van de overgebleven partner bestaat uit de volgende elementen:

- Inkomen actieve dienst (bruto), gaat in de gezinspot-38.159,16
- Weduwnaarspensioen (ANW gat-uitkering), toegerekend aan de partner persoonlijk -8.595,00
- Halfwezen uitkering van de ANW toegerekend aan de overblijvende partner persoonlijk €2.865,24
+ Totaal bruto €49.618,39








Uitgaande van € 49.618,39 (bruto) is het netto inkomen te berekenen op € 32.420,25. Na aftrek van de nominale zorgverzekering en zelfwerkzaamheid is het consumptief inkomen
€ 31.043,00.

In de gezinspot verdwijnt dan het volgende bedrag:
- € 38.159,16 : € 49.618,39 x € 32.420,25 = € 24.932,88

Vervolgens gaat het programma de gezinspot verdelen volgens de Amsterdamse Schaal (partner 100, kind 70, totaal 170) en ontstaat het volgende beeld:

- toegerekend aan het kind 70:170 x € 24.932,88= €10.266,48
- toerekenbaar aan de partner 100:170 x € 24.932,88= €14.666,40
+ Totale gezinspot €24.932,88





Het consumptieve inkomen van de overblijvende partner is dan als volgt te berekenen:

- overgebleven uit de gezinspot € 32.420,25 -/- € 24.932,88= €7.487,37
- toegerekend vanuit het eigen inkomen -14.666,40
- aftrekposten (af) -1.377,00
+ Totaal consumptief inkomen €20.776,77






Opvallend aan deze berekening is dat de consumptie van het slachtoffer geheel buiten de verdeling van het inkomen van de partner van na de fout blijft. Met andere woorden het voordeel dat de overbleven partner zonder twijfel heeft, omdat deze niet hoefde bij te dragen in het levensonderhoud van het slachtoffer, wordt mede toegerekend aan het kind.

Vervolgens wordt de schade uitgerekend op een bedrag van :
- € 11.551,31 minus € 10.266,48 = € 1.285,31

Beoordeling

Uit het voorgaande volgt dat er bij het achterblijvende kind een behoefte bestaat van
€ 11.551,31. De schade door het wegvallen van de bijdrage in het levens onderhoud van het slachtoffer is door het programma berekend op € 1.285,31. Dat zou dus betekenen dat het slachtoffer voor slechts (iets meer dan) 10 % bijdroeg in de behoefte van haar kind. Dit terwijl de inbreng van voor de fout/het ongeval ruim 36% was in het gezinsbudget en naar dezelfde draagkracht geacht werd bij te dragen in het levensonderhoud van haar kind.

Aangezien het kind geen eigen inkomen heeft en - in dit voorbeeld - het kind ook geen aan hem toe te rekenen voordelen zijn toegevallen, is op basis van de inbreng van het slachtoffer in het gezinsinkomen, de schade van het kind als volgt te berekenen:

- Inbreng van slachtoffer in gezinspot is-36,6%
- Totale behoefte van het kind is-4.230,51
- Inkomen met fout/ongeval-0,00
+ Schade€4.230,51






Volgens vaste jurisprudentie neemt de schadeveroorzaker de plaats in van het slachtoffer. Aangezien het slachtoffer jaarlijks € 4.230,51 bijdroeg hoort zijn zijn betalingsverplichting ook € 4.230,51 te zijn.

Kijk ik naar de inbreng van de partner voor de fout/het ongeval dan geeft dat het volgende beeld:

- Inbreng partner in gezinspot is 63,4%-63,4%
- Berekende behoefte van het kind -11.551,31
- Partner droeg derhalve bij zonder fout/ongeval -7.320,80
- Er wordt toegerekend door het programma €10.266,00
+ Meer toegerekend dan verwacht mocht worden van uit de bijdrage in het gezinsinkomen voor de fout/het ongeval €2.945,20








Deze berekening duidt erop dat kijkend naar de bijdrage van de partner in de gezinspot hij aanzienlijk meer geacht wordt bij te dragen dan voor de fout.

Het is naar mijn mening niet verdedigbaar, slechts 10 % van de totale ouderlijke bijdrage te nemen. Evenmin is verdedigbaar de spiegelbeeldige situatie, waarin niet moeder het slachtoffer was maar vader dat was, voor 90 % bijdroeg in de inkomensbehoefte.

Mijns inziens past het beste in de budgettaire methode, die wij hier toepassen, dat gekeken moet worden naar de - objectief vast te stellen - feitelijke inbreng in het gezinsbudget. Dit is mijns inziens alleen anders indien er concrete aanwijzingen zijn dat afgeweken moet worden van wat op grond van normale onderhoudverplichtingen op grond van het BW verwacht mag worden.

Terughoudendheid lijkt mij op zijn plaats. Daar kan naar mijn mening eigenlijk niet licht sprake van zijn, omdat dit toch al gauw tot oncontroleerbare standpunten kan leiden waarbij de schadeveroorzaker zal willen proberen te beargumenteren dat het slachtoffer het eigen inkomen niet of maar beperkt besteedde aan het levensonderhoud van de overgebleven gezinsleden dan wel dat de nabestaanden menen dat het slachtoffer juist primair financiλle bijdragen leverde aan de gezinsleden en zich zelf financieel wegcijferde ten faveure van de overige gezinsleden.

Bezien vanuit de onderhoudbijdrage van de overgebleven partner geldt een spiegelbeeldige redenering.

Een argument te meer (over) lijkt mij het volgende. Hoewel dit bij gehuwden nooit expliciet geregeld wordt ziet men tegenwoordig bijvoorbeeld bij samenlevingscontracten, dat de partners elkaar beloven naar draagkracht bij te dragen in de gezinsuitgaven. Naar mijn idee ie er geen reden om bijdragen in de huurkosten, energie en dergelijke anders te beoordelen als de inkomensbehoefte van kinderen van die partners.

Wat is hier nu mis aan?

Waar gaat het nu mis in de berekening? Bij de bepaling van de behoefte wordt rekening gehouden met de eigen consumptie van het slachtoffer. Dat is juist omdat deze geen deel uitmaakt van de individuele behoefte van de nabestaanden. Deze kosten worden bespaard.

Dat laatste neemt niet weg dat partners ieder hun inbreng hadden in het gezin en elkaar onderhielden, met inkomen en/of verzorging. De bijdrage in het levensonderhoud die de in leven gebleven partner aan het slachtoffer verstrekte zal, nu die bijdrage niet meer nodig is, voor die partner een voordeel opleveren. Deze mag worden meegewogen bij de beoordeling of deze partner een tekort in de behoefte (aan inkomen en/of zorg) heeft.

Het rekenprogramma neemt in de berekening van de inkomenstoerekening na het schadeveroorzakend evenement alleen de getallen van de Amsterdamse Schaal mee van de nabestaanden. Aldus wordt de bespaarde consumptie van het slachtoffer verdeeld over het overgebleven gezin. Daardoor kan aan de kinderen meer worden toegerekend dan de feitelijke bijdrage van de overgebleven partner van voor de schadeveroorzakende gebeurtenis.

Het Hony-arrest staat aan een dergelijke benadering duidelijk in de weg. Dat voordeel mag niet meegenomen worden bij de berekening van het behoeftetekort van de andere nabestaanden, meestal de kinderen, dan de partner bij wie de besparing is ontstaan. In de betreffende zaak mocht de onderhoudsbijdrage (alimentatieverplichting) die hij wegens het overlijden van zijn ex-vrouw niet meer behoefde te betalen, niet worden meegewogen/verrekend met de behoefte van de kinderen.

Conclusie

Ik moet tot de slotsom komen dat de berekeningswijze zoals deze in het door mij gebruikte programma voorkomt onjuist is.

Ik kan mij verschillende manieren bedenken waarop dit probleem te vermijden is. Mijns inziens zou de programmatuur bij de toerekening cq. verdeling met de Amsterdamse Schaal op het inkomen na ongeval geen hoger bedrag worden toegerekend aan de overblijvende kinderen dan de procentuele bijdrage van de overgebleven partner in het gezinsinkomen - en dus ook levensonderhoud van de kinderen - voorafgaand aan het schadeveroorzakend evenement.

-- Veel gestelde vragen: --


© 2006-2010 www.mijn-eigen-website.nl